Dorpse stedeling

Dorpse stedeling

Binnen zitten is geen optie

Als kind ben ik opgegroeid in de polders. In de tijd dat de eerste gameboys en computers uitkwamen, verplichtten mijn ouders mij lekker buiten te spelen. In plaats van thuis gamen, ging ik dus voetballen op straat, slootje springen of hutten bouwen in het bos vlakbij.

Maar om mij heen hadden al mijn vriendjes en vriendinnetjes wel de nieuwste gadgets. Ik neem mijn ouders niks kwalijk hoor, en ben blij dat ze mij geleerd hebben een buiten mens te zijn. Maar ik was wel altijd wat jaloers op de coole spellen van anderen. En tegelijkertijd een soort angst om er niet bij te horen.

Ontmoeting met de grote stad

Toen ik naar de middelbare school ging, kwam ik terecht in de grote stad. Voorheen kwam ik daar misschien twee keer per jaar om te winkelen met mijn moeder. De stad was dan altijd duizelingwekkend groot. In mijn tijd op de middelbare school kreeg ik met veel andere soorten huishoudens te maken. Niet dorps, maar stedelijk. Ik maakte nieuwe vriendinnen, die een hele andere achtergrond hadden dan ik. Zo woonde een van mijn vriendinnetjes heel centraal aan een van de oudste singels van de stad. Een charmant herenhuis, heel diep, met hele hoge plafonds. Maar ook van alle luxe voorzien: een hottub in de tuin, een grote barbecue, enorm veel spelletjes. Ik was meteen verliefd op het huisje en wilde eigenlijk altijd bij haar spelen. Dat was ook makkelijker dan bij mij spelen, want dan hoefden we niet tien kilometer te reizen vanuit school.

Stedelijk wonen

Sinds ik studeer woon ik zelf ook in de stad. Ik merk dat het stedelijke leven mij erg aanspreekt. Overal is reuring, de mensen op straat, de markt, de live muziek in cafeetjes. Het onverwachte. Maar tegelijkertijd kom ik helemaal tot rust wanneer ik een weekendje terug ga naar mijn ouders. De rust, de lucht, de ruimte. Het licht.

Ik denk dat het deels bij de levensfase hoort waar ik nu in zit. Je bent jong, energiek. Daar hoort misschien meer een bruisende stad bij dan een uitgedoofd dorp. Maar toch vraag ik me nu al wel eens af: hoe zal ik over tien jaar hier over denken? Of over twintig jaar? Woon ik straks in een nog grotere stad? Misschien woon ik zelfs wel over de grenzen, iets wat ik tot nu toe altijd heb afgezworen. Of misschien ben ik dan allang terug gekeerd naar het dorp. Waar ik de groenteboer vraag hoe het gaat met zijn hond. Waar ik onmogelijk met oordoppen in kan hardlopen omdat iedereen gedag zegt. Waar mensen oog hebben voor elkaar. Is dit dorpse karakter ook in een stad te vinden?